Op dezelfde kapitaalbasis is een gekozen 2%-budget tweemaal een 1%-budget vóór volumevoorwaarden. Maar kapitaalbasis, afronding en opeenvolgende verliezen kunnen die vergelijking veranderen. De percentages zijn modelkeuzes, geen veilige instellingen die automatisch horen bij een bepaald aantal ervaringsjaren of winstmaanden.

Een lager percentage kan hetzelfde geldbedrag geven

Verschillende bases, gelijke PLN-budgettenFictief 10.000 PLN saldo en 20.000 PLN equity door ongerealiseerde winst; geen gegarandeerd sluitresultaat of aanbevolen basis.REKENVOORBEELDRegel A20.000 × 1%=200 PLNRegel B10.000 × 2%=200 PLNZelfde basis 10.000 PLN1%=100 PLN; 2%=200 PLN
Verschillende bases, gelijke PLN-budgetten. Fictief 10.000 PLN saldo en 20.000 PLN equity door ongerealiseerde winst; geen gegarandeerd sluitresultaat of aanbevolen basis.

Vergelijk niet alleen de percentages: noteer de actuele basis en het geldbedrag.

Regel A
20.000 × 1%=200 PLN – Equity als basis.
Regel B
10.000 × 2%=200 PLN – Saldo als basis.
Zelfde basis 10.000 PLN
1%=100 PLN; 2%=200 PLN – Pas dan is het budget precies tweemaal.

Het fictieve bronmodel heeft 10.000 PLN saldo en 20.000 PLN equity door positieve ongerealiseerde resultaten. Regel A neemt 1% van equity: 200 PLN. Regel B neemt 2% van saldo: ook 200 PLN. Op dezelfde basis 10.000 PLN zouden het 100 en 200 PLN zijn. De balklengtes in de vergelijking beschrijven bases, niet verschillende budgetten. Dit is een afzonderlijk PLN-model, geen instructie voor Nederlands belastingrecht of een valutaconversie.

Noteer naast ieder percentage de basis, het meetmoment en het geldbedrag. Ongerealiseerde winst is geen gegarandeerd sluitresultaat; de gelijkheid kan verdwijnen wanneer equity verandert. Saldo en Rekeningwaarde (equity) zijn daarom geen uitwisselbare kolomkoppen.

Een verliesbudget is geen margin of nominaal

Een procentregel schat gepland prijsverlies bij een veronderstelde stopuitvoering. Zij zegt niet welk kapitaalaandeel als nominaal wordt gehandeld of als margin wordt gereserveerd. Stopafstand, contractwaarde, omrekening en kosten bepalen de geldinschatting. Een gewone stop kan anders worden gevuld; het budget is geen gegarandeerd maximaal verlies.

Neem een fictieve 10.000 USD-rekening, EUR/USD, dertig pips stop en 10 USD per pip per standaardlot. Voor 100 USD budget is de ruwe omvang 0,3333 lot. Met stappen 0,01 wordt dat omlaag 0,33:99 USD prijsverlies en 33.000 EUR nominaal vóór kosten. Voor 200 USD wordt het 0,6667→0,66 lot,198 USD verlies en 66.000 EUR nominaal. 0,67 lot geeft 201 USD en overschrijdt het budget al vóór kosten.

Bij 50 USD budget wordt 0,1667→0,16 lot,48 USD verlies en 16.000 EUR nominaal. 0,17 lot zou 51 USD kosten. De formule is budget/(stopafstand × rekening-pipwaarde per lot). Een volgende toegestane stap kan het budget overschrijden; losse transactiekosten en een uitvoeringsafwijking vragen extra ruimte. Vereiste margin moet afzonderlijk worden gecontroleerd.

Resterend vermogen en drawdown zijn elkaars aanvulling

Als ieder verlies exact fractie r van direct voorafgaand kapitaal is, zónder kosten, gaten, stortingen of afronding, dan resteert na n verliezen C₀(1−r)ⁿ. Het geldverlies is C₀[1−(1−r)ⁿ]; het verliespercentage is [1−(1−r)ⁿ] × 100%. De resterende fractie is niet zelf de drawdown.

Schuif op een klein scherm door de tabel om alle kolommen te lezen.

Tien exact voorgeschreven verliezen, geen kansvoorspelling
Gekozen fractieDrawdown afgerond
0,5%4,89%
1%9,56%
2%18,29%
3%26,26%
5%40,13%
10%65,13%

Na twintig 2%-verliezen resteert 66,7608% en bedraagt de daling 33,2392%. Bij twintig 1%-verliezen is de daling 18,2093%. De relatie is dus niet exact lineair. Een historisch winstpercentage bepaalt zonder informatie over afhankelijkheid geen toekomstige frequentie van verliesreeksen.

Herstel gebruikt het kleinere restant. Na tien 1%-verliezen is ongeveer 10,57% groei nodig; na tien 2%-verliezen 22,39%. Exact 50%, 70% en 90% daling vragen 100%, 233,33% en 900% herstel. Deze identiteiten beloven geen toekomstig rendement of feitelijk herstel.

Wat bepaalt of een fractie past?

Een lagere fractie kan nog steeds te groot zijn voor de beschikbare middelen. Winstkans, uitbetalingsgrootte, kosten, afhankelijkheid en gecombineerde blootstelling horen samen in de beoordeling. Een universele 50%-winrate of 1,5 R-grens bewijst geen geschiktheid. Demo kan mechaniek tonen, maar geen live uitvoerprijzen valideren. Rekeningleeftijd is geen bewijs van een duurzaam voordeel.

In een vast-basis-lineair model verdubbelt tweemaal de blootstelling de verwachte geldwinst en standaardafwijking; variantie wordt viermaal zo groot. Transactiecompounding en beperkingen zijn een andere analyse. Het afzonderlijke bronmodel met veronderstelde verwachting+0,3 R geeft bij R 100 USD 30 USD en bij R 50 USD 15 USD vóór kosten. Dat is opgelegde rekenkunde, geen geschatte werkelijke verwachting of psychologische veiligheid.

Gebruik het journaal om meerdere expliciete ongunstige routes te toetsen. Zeven waargenomen verliezen voorspellen niet dat een toekomstige reeks maximaal tien duurt. Tien exact 2%-verliezen laten 81,7073% over en kosten 18,2927%. Als het geldgevolg niet draaglijk is, heroverweeg de blootstelling; de formule verleent geen toestemming om die op te voeren.

De valkuil van verhogen

Bij exact 3% verlies per stap geven vijf verliezen 14,13% drawdown en tien 26,26%. Herstel na die tien vergt circa 35,61%. De cijfers veronderstellen geen kwartaalprestatie, verliesfrequentie of voor iedereen identieke emotionele reactie. Beschrijf afwijkingen van het plan in plaats van gedrag uit het percentage af te leiden.

Een gewone stop naar instap verplaatsen verandert de trigger, niet de garantie op netto nul. Kosten en uitvoering voorbij de trigger kunnen verlies laten staan. Stop naar break-even: netto nul, prijsstappen en serverbevestiging behandelt dat onderscheid. Verander een stop volgens een beschreven procedure; veronderstel geen verbetering voor iedere strategie.

Nieuw EUR-tegenvoorbeeld: het uitvoerbare volume verdubbelt niet

Neem apart 2.000 EUR kapitaal,300 EUR gepland stopverlies per lot, minimum 0,10 lot en stappen 0,10 lot. Bij 1% is het budget 20 EUR en de ruwe omvang 0,0667 lot: geen toegestane positieve omvang past. 0,10 lot zou 30 EUR verliezen. Bij 2% is het budget 40 EUR, ruw 0,1333 lot, omlaag 0,10 lot: 30 EUR modelverlies. Verdubbelde budgetten betekenen hier dus niet tweemaal een uitgevoerde positie.

Dit beveelt geen verhoging naar 2% aan. Het toont een haalbaarheidsgrens: je kunt het instrument, contract of besluit aanpassen of geen transactie uitvoeren. Er zijn geen kosten of gaten gemodelleerd; werkelijke verliezen kunnen afwijken. Een brokerminimum rechtvaardigt niet dat je het kleinere budget overschrijdt.

Controle vóór een regelwijziging

  1. Schrijf basis, meetmoment, fractie en geldbudget op. Gebruik dezelfde basis als je percentages vergelijkt.
  2. Bewaar volledige netto-uitkomsten, stopafstanden en volumes. Scheid schatting van verwachting en werkelijkheid van een stresstest.
  3. Controleer minimum, stap, kosten, margin en alle tegelijk uitvoerbare posities of wachtende orders. Bekijk ongunstige uitvoering afzonderlijk.
  4. Leg het wijzigingsbesluit, onderbouwing, evaluatiemoment en concrete actie vast. Een kalenderdatum of korte winstreeks bewijst geen geschiktheid.

Gebruik Maximale drawdown: welke rekeningcurve meet je? om de gebruikte piek en herstelbasis expliciet te maken. De Nederlandstalige uitleg bepaalt geen woon- of belastingland; de percentages en rekeningen zijn fictieve scenario’s.