In dit artikel
Na dit artikel kun je…
- Het verlies opnieuw uitrekenen na een afwijkende bevestigde instap.
- Oorspronkelijke R-referentie onderscheiden van budget en later verplaatste stop.
- Meerdere modelverliezen in dezelfde rekeningvaluta bij elkaar optellen.
Begrippen uitgelegd binnen het artikel
Orderuitvoering Slippage — afwijking van de referentieprijs Stop loss Saldo Drawdown Verwachtingswaarde Average True Range (ATR)Een winstjaar na een verliesjaar isoleert het effect van een nieuwe risicoregel niet. Vergelijk vastgelegd beginrisico, gerealiseerde R, stopafstand, kosten en gezamenlijke blootstelling. Deze zes onderdelen maken beslissingen controleerbaar zonder een fractie als universeel veilig te verkopen.
1. Wat het risicoplan vastlegt
ESMA verwees in 2018 naar historische analyses waarin 74–89% van retail-CFD-rekeningen verloor. Dat is geen actueel aanbiederspercentage en verklaart niet of omvang, analyse, kosten of andere factoren een bepaald verlies veroorzaakten. Het risico van kapitaalverlies blijft wezenlijk; de rekenmodellen bepalen geen individuele geschiktheid.
Het historische interventiemodel gebruikte 30:1 voor de omschreven grote valutaparen en 20:1 voor andere. Voor CFD-aanbod in of vanuit Nederland controleer je het AFM-besluit, entiteit en klantstatus; bijlage I noemt onder meer letterlijk 3,33% en 5% initiële marge. Houd die percentages apart van onze exacte breukmodellen. De Poolse ervaren retailcategorie is een buitenlandse vergelijking met eigen voorwaarden, geen Nederlandse of algemene EER-status.
2. Eén procent: een beginbudget uitrekenen
Een éénprocentregel benoemt gepland beginrisico, geen gegarandeerd maximaal uitvoeringsverlies. Als iedere werkelijke verliestrade zonder extra kosten exact één procent van actuele rekeningwaarde kost, resteert na tien verliezen 0,99^10 ≈ 90,44%. Bij twee procent resteert 81,71%, dus 18,29% daling. Bij vijf procent resteert 59,87%, dus ongeveer 40,13% daling.
Herstel na precies veertig procent daling vraagt 1/0,60−1 = 66,67%. Herstel na de iets grotere daling van tien vijfprocentverliezen vraagt ongeveer 67,02%. De afronding naar veertig procent verandert de noemer. Geen aantal van tweehonderd transacties of verstreken periode rechtvaardigt automatisch hoger risico.
Het fictieve USD-bronmodel heeft 10.000 USD, een gekozen 1%-budget van 100, twintig pips stopafstand en 0,10 USD per pip per microlot. 100/(20 × 0,10) = vijftig microlots. Registreer welke kapitaalbasis en fractie je gebruikt. Consistent werken verklaart keuzes, maar maakt bijvoorbeeld 1,5% niet vanzelf passend of beter dan een variabele regel.
3. R en doelverhouding zijn andere maten
Een R-multiple deelt netto gerealiseerd resultaat door de vastgelegde oorspronkelijke risicoreferentie. 250 USD nettowinst bij 100 USD beginrisico is +2,5 R. Een verlies is alleen −1 R wanneer de netto-uitkomst werkelijk −100 USD is. Gaps, slippage en kosten kunnen groter verlies geven.
Bij een fictief binair model met 40% kans op +2 R en 60% op −1 R is verwachting 0,40 × 2−0,60 = +0,20 R vóór kosten. Een 1:1-model bereikt vóór kosten bij 50% de nulverwachting. Een doelverhouding alleen bewijst geen winstgevendheid of wat succesvolle retailstrategieën doorgaans gebruiken.
Een afzonderlijke EUR/USD-long vanaf 1,0850 met stop 1,0830 heeft twintig pips gepland prijsrisico. Doel 1,0900 is vijftig pips verder: risico ten opzichte van beloning 1:2,5. Met aangenomen 30% kans op telkens +2,5 R en anders −1 R is de bruto verwachting 0,30 × 2,5−0,70 = +0,05 R. Kosten kunnen die kleine marge veranderen; de kans is geen gemeten patroonresultaat.
1: 2,5 levert alleen onder aangenomen 30% winstkans en vaste uitkomsten +0,05 R vóór kosten.
- Risico
- 20 pips – Instap min stop.
- Beloning
- 50 pips – Doel min instap.
- Modelverwachting
- 0,30 × 2,5−0,70=0,05 R – Geen gemeten kans.
4. De eenheid bepaalt wat de formule oplevert
Voor een lineair prijsverliesmodel is volume het geldbudget in rekeningvaluta gedeeld door stopafstand maal pipwaarde voor één benoemde volume-eenheid. Bij dezelfde fictieve 10.000 USD, 1%, twintig pips en 10 USD per pip per standaardlot geeft 100/(20 × 10) = 0,50 standaardlot. Als mini 0,1 en micro 0,01 standaardlot betekenen, zijn dat vijf minis of vijftig micros. Eén standaardlot zou bij dezelfde afstand 200 USD verliezen, geen honderd.
Controleer contract, minimum en stap; vul een waarde per positie niet als waarde per volledig lot in. Kosten, omzettingskoers en echte fill kunnen veranderen. Een diagramlabel maximaal risico benoemt hoogstens het gekozen planningsbudget, geen gegarandeerd verliesplafond.
0,50 standaardlot, vijf minis en vijftig micros beschrijven hier hetzelfde volume.
- Budget
- 100 USD – Gekozen beginmodel.
- Per standaardlot
- 200 USD – 20 × 10.
- Volume
- 0,50 standaardlot – 100/200; geen maximale fillgarantie.
Herbereken na de bevestigde instap
Een gelijke stop en volume houden verlies niet gelijk wanneer de instap verandert.
- Plan 1,1000
- 20 pips; 96 PLN – Binnen gekozen budget 100.
- Fill 1,1005
- 25 pips; 120 PLN – 24 meer dan gepland; 20 boven budget.
- Ongewijzigd
- Stop 1,0980 en 0,12 lot – Geen garantie op deze echte uitstap.
Het oorspronkelijke PLN-model plant long EUR/USD op 1,1000, stop 1,0980 en volume 0,12 lot. Pip is 0,0001 en de aangenomen pipwaarde 40 PLN per pip per lot, met vaste conversie. De geplande twintig pips geven 20 × 0,12 × 40 = 96 PLN, binnen een gekozen 100 PLN-budget.
De volledige instap vult fictief op 1,1005. Bij ongewijzigde stop is de afstand vijfentwintig pips en prijsverlies 25 × 0,12 × 40 = 120 PLN. Dat is 24 meer dan de eerdere schatting en twintig boven het budget. Neem alleen voor deze berekening exacte uitstap op 1,0980 en geen aanvullende provisie of financiering aan. Instap en uitstap bevatten het prijsverschil al: tel spread niet dubbel.
Controleer bevestigde prijs en hoeveelheid en volg de vooraf beschreven procedure voor uitvoeringsafwijkingen. Verplaats de stop niet automatisch om een overschrijding onzichtbaar te maken. Een gewone stop garandeert de aangenomen uitstapprijs niet.
Nieuw EUR-tegenvoorbeeld: budget is niet hetzelfde als uitgevoerd beginrisico
Neem een apart fictief EUR-contract met pipwaarde 10 EUR per volledig lot. Je plant 0,50 lot bij twintig pips stopafstand: budget 100 EUR. Alleen 0,30 lot wordt uitgevoerd tegen de geplande prijs en de rest wordt bevestigd geannuleerd. Zonder overige kosten in de beginrisicodefinitie is het werkelijk geopende prijsrisico 0,30 × 20 × 10 = 60 EUR.
Later is de gerealiseerde brutowinst 126 EUR met totale kosten 6 EUR: netto 120. Tegen de vastgelegde 60 EUR oorspronkelijke prijsrisicoreferentie is dit +2 R. Delen door het ongebruikte volledige planningsbudget geeft 1,2, maar dat is een andere benoemde maat. Je mag niet achteraf beide noemers als dezelfde R verkopen. Als jouw beginrisicodefinitie kosten bevat, moet de noemer die vanaf het begin meenemen.
Een tussentijdse stopverplaatsing naar instap verandert de historische beginreferentie van 60 niet in nul. 120 gedeeld door nul is ongedefinieerd, geen oneindige R-winst. Gegeven fills, annulering en kosten zijn hypothetisch; de markt hoeft deze uitvoering niet te leveren.
Netto 120 EUR is 2 R tegen 60 EUR oorspronkelijk uitgevoerd prijsrisico; 1,2 tegen 100 EUR budget is een andere maat.
- Gepland budget
- 100 EUR – 0,50 × 20 × 10.
- Uitgevoerd beginrisico
- 60 EUR – 0,30 × 20 × 10.
- Nettoresultaat
- 126−6=120 EUR – Gedeeld door 60 geeft 2 R.
- Stop later op instap
- Referentie blijft 60 EUR – Geen deling door een nieuwe nulnoemer.
5. Een stopregel moet bij het testmodel horen
Benoem instrument, tijdsframe en uitstapregel. ATR meet historisch bereik, niet toekomstig geschikt risico of een vast GBP/JPY/EUR/USD-verhoudingsgetal. Dit artikel heeft geen dataset die volatiliteit precies tweemaal zo groot maakt of universele 12–25- of 30–60-pipbuffers bewijst. Een gekozen ATR-periode, veelvoud en ongeldigheidsregel zijn testinputs.
Bij longinstap 1,0850 vergroot stopverlaging van 1,0830 naar 1,0820 de afstand van twintig naar dertig pips: vijftig procent meer prijsrisico bij hetzelfde volume, vóór kosten. Ook trailing wijzigt het uitstapmodel en is niet altijd passend. Gepland één procent is geen statistische verwachtingswaarde. Toepasselijke negatieve-saldobescherming begrenst gedekte rekeningverplichtingen, niet de prijs van iedere stop of verlies van het tegoed.
6. Drawdown en gedeelde valutabenen
Voor een opgegeven rekeningreeks zonder kasstromen geeft 10.000→12.000→10.800 een drawdown van 1.200/12.000 = 10%. Maximum drawdown is de grootste top-dalafname in het venster. Dertig procent daling vraagt circa 42,86% herstel, vijftig vraagt honderd. Daaruit volgt geen universele vijftien-tot-twintigprocenttolerantie, acht-/twaalfprocentinterventie of vijfentwintigprocentpauze.
Long EUR/USD, GBP/USD en AUD/USD delen short USD; long EUR/USD en short USD/CHF verkopen eveneens beide USD, met andere overige benen. Correlatie verandert met data, frequentie en omstandigheden. Er is hier geen dataset voor een universele 0,80–0,90. Drie geplande éénprocentverliezen tellen op dezelfde basis tot drie procent op, ook zonder correlatie; echte verliezen kunnen groter zijn. Een gekozen portefeuillelimiet garandeert geen maximum.
Een bruikbaar dagboek beginnen
- Noteer rekeningvaluta, kapitaalbasis, fractie, stopafstand en geldwaarde per benoemde volume-eenheid; rond naar de toegestane stap.
- Registreer oorspronkelijke geldreferentie en echt nettoresultaat. Instap min stop is een prijsafstand, geen geldrisico zonder omvang en conversie.
- Controleer gezamenlijke valutabenen en ongunstige scenario’s. Een forexpositie hedgen: wat blijft er werkelijk over? laat zien waarom een hedge kosten en andere risico’s kan toevoegen.
- Definieer dag- en maandvensters en acties voor bestaande posities en orders. Het programma afsluiten verwijdert de blootstelling niet.
- Bewaar datum, instrument, richting, beginrisico, nettoresultaat en R plus afwijkingen en regelversies. Twintig of vijftig observaties beschrijven een steekproef, geen automatische +0,3 R-kwaliteitsgrens.
Lot en positiegrootte: eenheden eerst, volume daarna controleert vervolgens contracteenheid en volumestap. De PLN-instap, USD-modellen en nieuwe EUR-deeluitvoering zijn afzonderlijk. Nederlandstaligheid bepaalt geen woonland of klantclassificatie.
Een derde positie gebruikt hetzelfde budget
De afzonderlijke calculatoroefening heeft 10.000 USD kapitaal, een gekozen 3%-grens van 300 USD en modelverliezen 100 en 75 USD: samen 175 of 1,75%, met 125 ruimte. Voeg alleen een derde verlies van 150 toe. Samen wordt dit 325 USD of 3,25%; resterende budgetruimte is −25 USD. Dat negatieve getal is geen vrije marge, maar verschil met de gekozen limiet. Het model waardeert geen correlatie of hedge en garandeert geen maximale schade.
Test wat je hebt geleerd
Ongeveer 2 minuten oefenen.
Antwoord en uitleg bekijken
Juist: de bevestigde afstand is 25 pips. 25 × 0,12 × 40=120, twintig boven het 100 PLN-budget.
De derde positie gebruikt hetzelfde budget
Ongeveer 2 minuten oefenen met de rekenhulp.
Apart fictief model: 10.000 USD, gekozen persoonlijke grens 3% en twee modelverliezen 100 en 75 USD. Samen 175 USD of 1,75%, met 125 ruimte op 300. Verander uitsluitend positie 3 van nul naar 150 USD. Kan de som de grens overschrijden terwijl de afzonderlijke bedragen klein lijken?
Tel drie verliesscenario’s op →
Bekijk uitkomst en uitleg
100+75+150=325 USD of 3,25%. Ruimte 300−325=−25 USD: het model overschrijdt met 25 USD. Het negatieve bedrag is geen vrije marge, alleen verschil tussen gekozen verliesbudget en som van scenario’s.
3% is een oefenparameter. De som garandeert geen maximaal verlies en is geen correlatiemodel. Geen veronderstelde hedge afgetrokken; alle bedragen in dezelfde valuta.
Andere vragen
Waarom één procent en niet twee of vijf?
Geen van die fracties is per definitie veilig. Het ideale bronmodel laat na tien exacte verliezen 90,44%, 81,71% of 59,87% over, zonder kosten. Herstel van het laatste vraagt 67,02%; van precies 40% daling 66,67%. Dat zijn verschillende noemers. Een record van tweehonderd transacties of een aantal maanden verleent geen automatische toestemming voor groter risico.
Welke stopafstand past bij verschillende paren?
Benoem instrument, tijdsframe en uitstapregel. ATR meet historisch bereik en bepaalt geen vaste onderlinge paarverhouding of toekomstige passende stop. Test veelvoud met instellingen en kosten. Hier is geen dataset voor universele 12–25 of 30–60 pips of een verplichte 1–1,5 ATR-buffer.
Welke drawdown moet ik accepteren?
Beschrijf serie, venster, waarnemingsfrequentie en geldstromen. 10.000→12.000→10.800 zonder kasstromen geeft 10% vanaf de top. De grootste afname in het venster is maximum drawdown. Draagkracht en volledig risico informeren een gekozen grens; geen universele 15–20% of 8/12%-actieschema volgt.
Wanneer heb ik één valutarisico of drie?
Richting, bedrag en andere valutabenen tellen naast steekproefcorrelatie. Long EUR/USD en short USD/CHF verkopen allebei USD, maar houden andere overige benen. Drie geplande 1% verliezen op dezelfde basis tellen tot 3% op zonder onafhankelijkheid nodig te hebben. Echte uitkomsten kunnen groter zijn; correlatie is geen gegarandeerde stopkorting of veilige positietelling.
Bronnen en controle
- ESMA — Historische aankondiging 2018
Historische analyses met 74–89% verliesrekeningen en tijdelijke maatregelen. Geen actueel aanbiederspercentage of bewijs dat omvang de enige oorzaak van verlies is.
- AFM — Besluit beperkingen aan CFD’s
Nederlandse retail-CFD-scope, nationale initiële marge en rekeningbescherming. Geen garantie op stopprijs, geschiktheid van 1% of behoud van storting.
- CME — Proper Position Size
Eigen onderwijsbron koppelt budget, stopafstand en contractgeldwaarde. Voorgeschreven beginnersfracties worden niet als persoonlijk passend overgenomen.
- Van Tharp Institute — Initial risk and R
Oorspronkelijke onderwijsuitleg van initieel geldrisico en R-multiples. Geen steekproefaantal dat toekomstige winstgevendheid valideert.
- MetaTrader 5 — Order- en stopmechaniek
Eigen platformdocumentatie over geaccepteerde opdrachten, prijszijde en stopuitvoering. De PLN-fill en EUR-deeluitvoering zijn aparte hypothetische scenario’s, geen uitgevoerde software- of brokertest.
De berekeningen gebruiken expliciete aannames. Ze vervangen geen actuele marktgegevens of voorwaarden van de aanbieder.
